Lessenserie thema tijd

Onderstaand tref je onze eerste lessenserie. Deze heeft het thema tijd en is gemaakt voor de bovenbouw. Natuurlijk kun je deze serie aanpassen aan het niveau van jouw groep. Mocht je de serie uitgevoerd hebben in je klas: wij houden van feedback! Mail ons, daar kunnen we wat mee. Foto’s, reacties van jou en van de kinderen zijn natuurlijk ook zeer welkom.

tijd

Deze serie liever in pdf? Klik dan hier:  Lesideeën thema tijd

 

Lesideeën thema tijd

Centrum Leren en Denken

 

 

Inhoud

Woord vooraf. 3

Hulpbegrippen m.b.t. tijd. 4

Vragen die  je zou kunnen stellen bij het begrip tijd. 4

Les 1 introductie. 5

Les 2 beeldende vorming. 6

Les 3 Rekenles. 7

Werkblad algemeen. 8

Werkblad plusoprachten. 10

Werkblad bijwerkopdrachten. 11

Les 4 filosofisch gesprek. 12

Les 5 tijdzones. 13

Werkblad tijdzones. 14

Les 6 filosofisch gesprek. 15

Les 7 Eindopdracht. 16

 

 

Woord vooraf

 

Deze lessenserie heeft een sterk filosofisch karakter. Dat is voor kinderen die hier nog nooit mee in aanraking zijn gekomen even wennen. Toch zul je zien dat kinderen deze vorm van onderwijs snel oppakken en omarmen. Echter is het voor leerkrachten een flinke aanpassing in hun toon als leraar. Tijdens de filosofielessen is de leraar niet alleswetend en kan daardoor nooit het goede antwoord geven. Dat is er namelijk niet. Voor het verloop van het gesprek is het belangrijk dat de leraar zijn eigen mening niet door laat schemeren. Dat is namelijk volstrekt irrelevant. Van belang is dat de kinderen een proces doormaken waarin zij leren nadenken over filosofische begrippen. Eigenlijk leer je de kinderen denken.

Belangrijk voor de leerkracht:

  • Stel jouw eigen oordeel uit
  • Luister naar de kinderen en laat ze naar elkaar luisteren
  • Vraag door : ‘Waarom vind je dat? Kun je uitleggen waarop jouw mening gebaseerd is? ‘
  • Er zijn stille kinderen in de groep. Zij zeggen niet zoveel maar luisteren vooral. Laat dat gaan, het is niet erg. Deze kinderen zijn evengoed met hun denkproces bezig en zullen, als de tijd daar is, mee gaan doen met een gesprek.

 

Het is als leraar misschien even wennen en oefenen.  Echter zul je, als  je deze manier van lesgeven eenmaal onder de knie hebt, enorm veel plezier beleven aan de dingen die kinderen zeggen tijdens de les.

Succes en veel plezier!

 

 

Hulpbegrippen m.b.t. tijd

 

Tijd Wekker Horloge
Zandloper Eierwekker Groot worden
Klok Km/u Oud zijn
Geschiedenis Relatieve/absolute tijd Geboren worden
Toekomst Wachten duurt lang Vroeger
Heden Tijd kan snel gaan bij leuke dingen

 

 

 

Vragen die  je zou kunnen stellen bij het begrip tijd

  • Wat is tijd?
  • Is tijd eindig?
  • Zijn er andere manieren om tijd te noteren?
  • Waarom lijkt tijd soms snel te gaan en soms langzaam?
  • Heelt tijd nare ervaringen?
  • Zorgt tijd ervoor dat dingen die gebeurt zijn minder erg worden? Of juist minder leuk?

 

 

 

Les 1 introductie

 

Voorbereiding: geef de kinderen een aantal dagen van te voren aan dat jullie het gaan hebben over tijd. Laat de kinderen spullen meenemen die, volgens hen, met tijd te maken hebben.

 

lesdeel Actie
Introductie Vertel de kinderen kort over het thema tijd en wat jullie tijdens dit thema ongeveer gaan doen.
Les Laat de kinderen één voor één vertellen wat ze mee hebben genomen en waarom.
Afsluiting Vat samen wat er allemaal mee is genomen en benoem de verschillen. Kunnen de kinderen nog meer dingen bedenken die met tijd te maken hebben?

 

Lesdoelen

De kinderen denken na over het begrip tijd

De kinderen kennen de gespreksregels voor een kringgesprek

 

Kerndoelen

Kerndoel 2

De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te
drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren
en bij het discussiëren.

Kerndoel 3
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

 

 

 

 

Les 2 beeldende vorming

 

Voorbereinig: zorg voor voldoende a4 vellen, folders en tijdschriften, scharen, liniaals, potloden en lijm.

lesdeel Actie
Introductie Vertel de kinderen wat ze gaan doen. Geef daarna instructie m.b.t. het tekenen van de zandloper. Geef daarbij exacte maten.
Les De kinderen maken de zandloper en plakken er plaatjes in die te maken hebben met tijd.
Afsluiting Hang de zandlopers op in de klas en bekijk ze met de kinderen. Zijn er verschillen? Welke plaatjes zijn opvallend?

 

Lesdoelen

De kinderen denken na over het begrip tijd.

De kinderen trainen hun fijne motoriek .

De kinderen kunnen met een liniaal maten afmeten.

 

Kerndoelen

Kerndoel 2

De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te
drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren
en bij het discussiëren.

Kerndoel 3
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

Kerndoel 54

De leerlingen leren beelden, muziek, taal, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.

Kerndoel 55

De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te
reflecteren.

 

 

Les 3 Rekenles

 

Voorbereiding: Bord, werkbladen.

Lesdeel Actie
Introductie + les Leg de kinderen de sommen uit in 3 instructiegroepen. De pluskinderen kunnen na een korte introductie zelfstandig aan de slag. Geef ze ook de extra opdrachten mee. De midden- en bijwerkgroep blijven zitten en krijgen een langere instructie. Na deze instructie gaat de middengroep ook zelfstandig aan de slag. De bijwerkgroep gaat zitten aan de instructietafel en maakt de opdrachten voor hun groep met eventuele begeledig.
Afsluiting Bespreek enkele sommen na. Wat ging goed? Wat minder? Is het lesdoel behaald?

 

Lesdoel:

De kinderen leren rekenen met de klok

De kinderen kunnen minuten bij elkaar optellen

 

Kerndoelen:

Kerndoel 51

De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.

 

Kerndoel 33

De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

 

 

 

 

 

Werkblad algemeen

Start

23+17=                                                              99+1=                                                 54+26=

12+38=                                                              53+27=                                               69+41=

31+9=                                                                  32+78=                                               34+96=

66+24=                                                              22+22=                                               55+35=

45+45=                                                              98+32=                                               81+39=

 

Samen

  1. David woont in Amsterdam. Hij gaat op bezoek bij zijn tante in Utrecht. Om 13:45 neemt hij de trein. Hij komt om 14:30 aan. Hoe lang heeft hij over de reis gedaan?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Sjoukje woont in Leeuwarden. Zij gaat met de trein naar Zwolle. Zijn neemt de trein van 10:10 en komt aan om 11:05. Hoe lang heeft zij in de trein gezeten?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. Helena woont in Zaandijk. Zij gaat met de trein naar Amsterdam. Zij vertrekt om 15:20. Ze doet 22 minuten over de reis. Hoe laat komt Helena aan in Amsterdam?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. Indi staat te wachten op station Hoogeveen. Ze neemt de trein van 17:55 naar Assen. Deze trein komt aan om 18:05. Hoe lang heeft Indi in de trein gezeten?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

Zelfstandig

  1. Fay gaat met haar oma naar artis. Fay is 11 jaar oud. Ze reizen vanaf station Zaandam om 9:15 naar Amsterdam Centraal. Daar komen ze aan om 9:35.

Hoe lang duurde het ritje in de trein?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. Een retourtje voor de trein kost €4,85. Een railrunnerkaartje voor kinderen onder de 12 jaar kost €2,50. Hoeveel geld zijn Fay en oma kwijt voor de trein?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. Vanaf Amsterdam Centraal lopen ze naar de dierentuin. Dit duurt 20 minuten. Hoe laat zijn Fay en haar oma bij Artis?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. De entree voor Artis is €22,50 voor volwassenen. Voor kinderen is dat €9,50. Hoeveel kosten de kaartjes samen?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. Oma en Fay gaan nog wat drinken en nemen daar een stukje appeltaart bij. Dit samen €6,50. Hoeveel waren oma en Fay in totaal kwijt voor de hele dag?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

 

 

  1. De conducteur van de trein Groningen-Amsterdam stapt om 8:00 0p de trein in Groningen. Om 10:40 is hij in amsterdam. Hoe lang duurt deze rit in totaal?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Om 8:55 is hij in Zwolle. Hoeveel minuten moet hij dan nog voordat hij in Amsterdam is?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Om 9:49 is de conducteur in Amersfoort. Hoe lang is hij dan al onderweg?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

Esra en Fati moeten voetballen in Zaandam. Ze vertrekken vanaf de voetbalclub in Assendelft.

  1. Esra gaat met de bus. Hij loopt 5 minuten naar de halte. De bus verttrekt om 10:12 en komt aan om 11:00. Daanra moet hij nog 2 minuten lopen naar de club. Hoe lang doet Esra erover om in Zaandam te komen?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Fati fietst 13 minuten naar de trein. De trein vertrekt om 10:20 naar station Zaandam en komt aan om 10:35 aan. Fati loopt 2 minuten naar de bus. Deze doet er 10 minuten over om bij de voetbalclub aan te komen. Daar loopt Fati in 2 minuten naar de ingang van de club.

Hoe lang heeft Fati over de reis gedaan?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Wie was eerder? Esra of Fati?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

Werkblad plusoprachten

 

  1. George vertrekt om 12:12 vanaf Maastricht naar Utrecht. Hij komt aan om 13:48.

Lisa vertrekt om 17:04 vanaf Middelburg naar Utrecht. Zij komt aan om 18:44 aan.

Wie is sneller?

……………………………………………… is de snelste. Hij/zij is ……………minuten sneller in Utrecht.

 

  1. Betül gaat met haar moeder en zusje op vakantie naar Parijs. Zij gaan met de trein. Die trein heet de Thalys. De Thalys vertrekt om 06:40 vanuit Amsterdam.

Om 07:06 is de trein in Utrecht.

  1. Hoe lang is Betül dan al onderweg?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Om 08:14 is de trein in Antwerpen. Hoe lang is Betül dan al onderweg?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Om 09:16 komt er een mevrouw langs met koffie en thee. Hoeveel minuten is dat na de stop in Utrecht?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Om 10:33 ziet Betül een prachtig hotel langs de treinbaan. Hoeveel minuten is dit na de stop in Antwerpen?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Om 10:40 komt de trein aan in Parijs. Hoe lang heeft de reis geduurd?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

 

 

 

 

 

 

Werkblad bijwerkopdrachten

  1. 20-9= 23+10=                                               21-10=

13-8=                                  16+21=                                               11-5=

6-3=                                     30+45=                                               90-45=

33-12=                                               20+45=                                               45+45=

44-22=                                               98+12=                                               39+43=

17-8=                                  60+60=                                               22+21=

 

  1. Anna en Joost gaan met de trein van Utrecht naar Breukelen. Ze vertrekken om 10:00 en komen aan om 10:16. Hoe lang duurde de reis?

 

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. Joachim en Max rijden van Den Helder naar Alkmaar. Ze vertrekken om 15:10 en komen aan om 15:40. Hoe lang hebben ze over de treinrit gedaan?

 

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

  1. Henk gaat naar zijn moeder in Amsterdam. Hij neemt de trein op station Zaandam om 08:03. Hij komt aan in amsterdam om 08:23. Hoe lang duurde de rit?

 

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Janneke gaat winkelen in Purmerend. Ze vertrekt met de trein vanaf Amsterdam om 13:40. Ze doet er 18 minuten over. Hoe laat komt zij aan in Purmerend?

 

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

  1. Joya reist naar Maastricht. Ze vertrekt om 12:03. Ze doet er 55 minuten over. Hoe laat is Joya in Maastricht?

 

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

 

 

 

 

 

 

Les 4 filosofisch gesprek

 

Filosofische vraag: Wat is tijd?

lesdeel Actie
Introductie Geef aan wat het doel is van het gesprek en vertel de gespreksregels. (niet door elkaar praten, vinger opsteken Ed)
Les Stel de vraag en laat de kinderen even nadenken. De kinderen komen vanzelf met antwoorden. Ga hierop door, maar zorg wel dat je redelijk binnen het kader van de vraag blijft.
Afsluiting Vertel kort wat jullie besproken hebben en noem een aantal antwoorden op. Je kunt er ook voor kiezen om een aantal kinderen de antwoorden te laten noteren en deze in de klas op te hangen.

 

Lesdoelen

De kinderen denken na over het filosofische thema tijd.

De kinderen kunnen een filosofisch gesprek houden zonder elkaars mening te veroordelen.

De kinderen hebben de gespreksregels voor een filosofisch gesprek onder de knie.

 

Kerndoelen

Kerndoel 2

De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te
drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren
en bij het discussiëren.

Kerndoel 3
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

 

 

 

 

Les 5 tijdzones

 

lesdeel Actie
Introductie Praat met de kinderen over vakanties. Wie is er wel eens op vakantie naar het buitenland gegaan? Heeft iemand wel eens met tijdsverschil te maken gehad?
Les Geef ieder kind (of in tweetallen) een bosatlas. Laat de kinderen bladeren naar de pagina met tijdzones. Leg uit hoe de tijdzones werken. De kinderen maken de opdrachten van het werkblad.
Afsluiting Kijk de opdrachten samen na en bespreek eventuele vragen die er nog zijn.

 

Lesdoelen

De kinderen leren wat tijdzones zijn

De kinderen leren rekenen met tijdzones

De kinderen oefenen het werken met de bosatlas

 

Kerndoelen

Kerndoel 33

De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

Kerndoel 50

De leerlingen leren omgaan met kaart en atlas, beheersen de basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld en ontwikkelen een eigentijds geografisch wereldbeeld.

 

 

 

 

 

Werkblad tijdzones

 

  1. In Londen is het nu 9:00. Hoe laat is het dan in Amsterdam?

 

 

  1. In Londen is het nu 7:00. Hoe laat is het dan in New York?

 

 

  1. In Amsterdam is het nu 15:00. Hoe laat is het dan in Moskou?

 

 

  1. In Berlijn is het nu 18:00. Hoe laat is het in Kaapstad?

 

 

  1. In Kopenhagen is het 11:00. Hoe laat is het in Tel Aviv?

 

 

  1. In Brussel is het 6:00. Hoe laat is het in Parijs?

 

 

 

 

 

 

Les 6 filosofisch gesprek

 

Voorbereiding: a4tjes, potloden.

Filosofische vraag: Hoe zien wij tijd?

lesdeel Actie
Introductie Geef alle kinderen een a4tje. Laat de kinderen hun leven tot nu toe weergeven op het blad. Ze mogen potloden gebruiken. Verder zijn ze geheel vrij.
Les Laat de kinderen hun blad op tafel liggen en laat de kinderen een rondje lopen langs de verschillende tafels. Als iedereen weer zit vraag je wat de overeenkomsten zijn tussen de tekeningen. Als het goed is valt het de kinderen op dat de meesten een tijdlijn hebben gemaakt. Hoe komt dat? Is tijd een lijn? Laat eventueel ter illustratie de tijdlijn van de geschiedenismethode zien. Vraag de kinderen wat er zou gebeuren als de tijd niet een lijn zou zijn maar een rondje. Of allemaal losse stipjes. Behandel dit als een filosofisch gesprek.
Afsluiting Vat de les niet samen, maar laat de kinderen op de achterkant van het a4tje opnieuw hun leven tekenen. Dit is puur ter zelfreflectie en als leerkracht kun je de lesdoelen evalueren.

 

Lesdoelen

De kinderen denken na over het filosofische thema tijd.

De kinderen kunnen een filosofisch gesprek houden zonder elkaars mening te veroordelen.

De kinderen hebben de gespreksregels voor een filosofisch gesprek onder de knie.

 

Kerndoelen

Kerndoel 2

De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te
drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren
en bij het discussiëren.

Kerndoel 3
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

 

 

Les 7 Eindopdracht

Lesdeel Actie
Introductie Blik terug op de lessenserie. Wat hebben de kinderen geleerd? Zijn ze andere na gaan denken door de lessen?
Les Geef de kinderen vrij spel qua materiaal gebruik. Ze kunnen een collage maken, schilderen, met waskrijt. Maakt niet uit. De kinderen gaan maken wat tijd voor hen inhoudt. Geef ze wel mee dat ze ook met tekst moeten werken.
Afsluiting Hang de werken op in de klas en bekijk het samen. Eventueel houdt je een kunstmarkt.

 

Lesdoelen

De kinderen kunnen aangeven wat tijd voor hen betekend.

De kinderen kunnen het begrip tijd verwoorden en laten zien in een creatief werk.

 

Kerndoelen

Kerndoel 2

De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te
drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren
en bij het discussiëren.

Kerndoel 3
De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

Kerndoel 54

De leerlingen leren beelden, muziek, taal, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.

Kerndoel 55

De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te
reflecteren.

 

 

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s